Posts tonen met het label recensie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label recensie. Alle posts tonen

02 november 2020

Charlie Poole - Husband and Wife Were Angry One Night (2009)


Banjospeler Charlie Poole was een enfant terrible in een tijd waar dat zeker nog geen gemeengoed was. Hij werd in 1892 geboren als Charles Cleveland Poole in Frankville, North Carolina. Zijn karakteristieke drievingerige techniek ontwikkelde hij nadat hij als tiener op basis van een weddenschap een honkbal probeerde te vangen zonder handschoen. Hij sloot zijn hand echter te vroeg en brak onder andere zijn duim. Hij ontving geen eerste hulp en de vingers werden nooit gezet. Dit resulteerde in een permanent misvormde vingers. Die misvorming vond hij niet erg. Hij was bozer over het verliezen van de weddenschap!

Op 19 jarige leeftijd trouwde hij met de 17 jarige Maude Gibson. Dit betekende niet dat Poole zijn wilde haren was verloren. Op het moment dat Maude beviel van hun zoon trok Charlie met andere landlopers door Canada. Enkele maanden later werd de scheiding tussen de twee echtelieden dan ook uitgesproken. Al dwalend door de heuvels van West Virginia kwam hij in 1918 in contact met de kreupele fiddler Posey Rorer en gitarist Will Woodlieff. Ze doopte zich tot de North Carolina Ramblers en deden auditie in New York voor Columbia Records.

Nadat ze een contract in de wacht hadden gesleept, namen ze op 27 juli 1925 het succesvolle “Don’t Let Your Deal Go Down Blues” op. Van deze plaat werden meer dan 100,000 exemplaren verkocht in een tijd dat er naar schatting slechts 6,000 grammofoons in het zuiden van de Verenigde Staten waren. Het contract bij Columbia hield echter niet lang stand aangezien Poole net zo legendarisch was als alcoholist als banjoplukker. Later dat jaar speelde ze in een wegrestaurant in Virginia waar de politie een inval deed. In plaats van via de achterdeur te vluchten besloot Poole het op te nemen tegen de agenten door hen tegen het hoofd te slaan met zijn banjo terwijl hij een andere sloeg met Rorer’s wandelstok. Dit was slechts een van de vele doldwaze avonturen in het korte maar wilde leven van Poole.

Op de ochtend van 21 mei 1931 was Poole bij het huis van zijn zus waar hij verklaarde: “De oude Charles is vaak dronken geweest, maar deze keer gaat de oude Charles dood”. Later die dag begaf zijn hart het inderdaad als gevolg van zijn buitensporige levensstijl en stierf de 39e jarige Poole op de veranda van zijn zus.

Poole componeerde zelf weinig tot geen van zijn muziek. Niettemin waren zijn dynamische vertolkingen van de door hem gespeelde traditionals en covers populair bij een breed publiek in het zuidoosten van de Verenigde Staten. Hij was meer een songcollector zoals bijvoorbeeld John Lomax. De songs op dit album, “Husband and Wife Were Angry One Night”, verhalen onder andere over de brand in Baltimore in 1904, de moord op president McKinley in 1901, binnenlandse onenigheid, eenzaamheid en liefde. De geschiedkundige waarde van deze nummers in onmiskenbaar, maar ook de muziek zelf is zeker het beluisteren waard. Zeker als je in ogenschouw neemt dat deze nummers 100 jaar geleden zijn opgenomen. Ook bevat het album een zekere mate van diversiteit. Van het vrolijke albumopener “Shootin’ Creek” naar het bluesy “Ramblin’ Blues” en het meer folky “Hungry Hash House”. Al met al geeft deze verzamelaar een mooie dwarsdoorsnede van een jammerlijk vergeten exponent van de vroegere countrymuziek.


24 juli 2013

Thomas Hine - Forgive My Future (2013)


Zo heel af en toe gebeurd het. Een album dat al bij de eerste tonen je interesse wekt. Vorige week gebeurde dat gelukkig weer eens. De gelukkige was ditmaal de voor mij onbekende singer/songwriter Thomas Hine met zijn album “Forgive My Future”. En niet alleen voor mij is Hine de grote onbekende. Het lijkt wel of heel muziekminnend internet pas dit jaar kennis maakt met deze muzikant uit Colorado. Hine lijkt een van dé nieuwkomers van 2013 te worden. En dat voor iemand met inmiddels al vijf albums achter zijn naam.

Het album opent met rustig gitaarspel en de lieflijke klanken van een xylofoon waarmee Hine in “Dance for Days” een gemoedelijke sfeer weet te creëren die het gehele album voortduurt. Een sfeer die bij tijd en wijle lijkt terug te grijpen op de grote singer/songwriters van begin jaren ’70. Artiesten zoals Crosby, Stills, Nash & Young en Iain Matthews. Zijn eigen stijl houdt het midden tussen americana, folk en popmuziek en hij weet daar een alleraardigst geheel van te maken. Bijvoorbeeld het intermezzo “Old Troubles” wat met zijn vocal harmony uitblinkt in eenvoud en schoonheid. Het album vervolgt met “Bright Shining Mountains”, het kwetsbare liefdesliedje “Tomorrow I Have My Doubts” en “Dance Harder”.

Bijna de gehele instrumentatie op “Forgive My Future” komt voor rekening van Thomas Hine. Daarnaast wordt hij op “Conquistadores (Lucky Boy Seven)” vocaal ondersteund door zuslief Sadie en is “Ploughman” een duet met niemand minder dan Thomas Denver Jonnson. Het album eindigt (de demo van “Dance Harder” buiten beschouwing gelaten) met het ruim zeven minuten durende “Should Have Stayed at Home”. In dit nummer wordt de hedendaagse kritische maatschappij mijns inziens treffend omschreven (“think I’m not …... enough”). Het enige puntje van kritiek dat ik bedenken is het feit dat dit album soms wel erg lo-fi en “home made” klinkt. Desalniettemin een van de leukste ontdekkingen van dit jaar.


22 juli 2013

Bojoura - Nightflight Nightsight (1968)


In tegenstelling tot veel jonge meisjes was het niet Bojoura’s (Raina van Melzen) droom om beroemd of überhaupt zangeres te worden. Het waren Frans Krassenburg en George Kooymans (Golden Earring), die zangles kregen van haar Bulgaarse moeder, die aan de wieg staan van haar carrière. Na een bevestigend antwoord op de praktische vraag; “kun je zingen?” kreeg Bojoura haar eerste liedje op een presenteerblaadje aangereikt. Ze was toen slechts 17 jaren jong. Op haar 20e levensjaar verscheen haar debuutsingle “Everybody’s Day”. Het nummer was een instant hit op de Nederlandse radio. Haar fraaie, feeërieke verschijning en het feit dat ze enkel mocht optreden in haar eigen tv-show “Vjoew”, creëert een mysterieus, bijna mystiek imago om de Haagse zangeres.

Het gros van de nummers op “Nightflight Nightsight” komt van de hand van George Kooymans en Rinus Gerritsen. Het album is verder opgevuld met enkele covers waaronder “Holiday” (Bee Gees) en “That’s How Strong My Love Is”, bekend van Otis Redding en the Rolling Stones. Bojoura’s kristalheldere doch breekbare stem doet bij tijd en wijle denken aan Marianne Faithfull of in mindere mate Joni Mitchell, maar heeft toch een compleet eigen klank. Het album is een fraai geheel van beatmuziek vermengd met de typische psychedelische pop-folkmuziek van eind jaren ‘60. Pas in 2010 wordt het album uitgebracht op cd door de Engelse platenfirma Rev-Ola.

25 februari 2012

The Ballachulish Hellhounds - Songs from the Great Atlantic Ocean (2010)


Vanaf het midden van de 19e eeuw tot pakweg de jaren ’20 van de vorige eeuw emigreerden miljoenen en miljoenen Europeanen naar Amerika. Sommigen vertrokken uit religieuze overwegingen, maar het merendeel hoopte op betere economische omstandigheden. Vanuit de diverse Europese havens voeren schepen vol gelukzoekers naar het voor hen beloofde land. Ook veel Britten en Ieren maakten de oversteek. Zo namen in totaliteit meer dan een miljoen Schotten de oversteek naar Amerika. Daarbij maakten ze gebruik van stoomschepen die ze zelf grotendeels ontworpen hadden.

De grote overtocht is al vaker een inspiratiebron geweest voor diverse muzikanten. Zo verscheen in 2005 het album “De Andere Kust” van Kadril en ook Neil Diamond (“America”) en Neil Sedaka (“The Immigrant”) hebben een migratiesong op hun repertoire staan. Ook de uit Glasgow afkomstige Ballachulish Hellhounds brachten in 2010 een album uit waarbij de emigratie naar Amerika centraal staat. Veel van de nummers, zoals “Shady Grove” en “Worried Man Blues”, zijn eeuwenoude traditionals. Enkel “Sweet Molly” komt van de hand van frontman Dochan MacMillan. De overige nummers zijn (behoudens het intro en het outro) allen covers. Al met al resulteert dit in een feilloos gespeeld en gezongen country-blues album. Jammer genoeg strookt de albumtitel niet met de opgenomen nummers aangezien geen enkel nummer daadwerkelijk verhaalt over de grote overtocht.


25 december 2011

Sea Bell - Sea Bell (2011)


In 1968 vormden een viertal Engelse muzikanten de groep Blind Faith. Eén album en één jaar later viel deze band ook alweer uit elkaar. De tienkoppige formatie Sea Bell uit het Amerikaanse Eugene, Oregon is hetzelfde lot beschoren. Kort na het uitkomen van hun debuutalbum besloot de band hun instrumenten aan de wilgen te hangen.

In het voorjaar van 2009 nodigden Madi Becker en Leslie Robert een aantal vrienden uit om gezamenlijk muziek te maken en op te treden. Daarbij zaten ook voormalige leden van de band Devinbrownunder, waaronder zanger/frontman Devin Brown. Becker, Robert en Brown ontwikkelden zich al snel tot de songwriters van de nieuwe formatie. Na veel optredens in om Eugene en een obscure demo verscheen er in augustus van dit jaar een volwaardig naamloos debuutalbum. De muziek van Sea Bell is te typeren als indie-rock met veel aandacht voor harmonieuze samenzang. De albumopener “A Capella” is dan ook, zoals de titel al doet vermoeden, een melodieuze minuut zonder instrumentale begeleiding. In de volgende acht nummers komt een breed scala aan instrumenten voorbij waaronder ukeleles, een trompet en een klarinet. Naast de karakteristieke indie-rock songs staan er ook een tweetal fraaie ingetogen folknummers op dit album. Met name “Whispering Song” is prachtig in zijn eenvoud, en ook hier is de samenzang (van Leslie Robert en Emily Jacob) weer prominent aanwezig. Op “Rainy Boys” maken de dames en heren van Sea Bell zelfs een voorzichtig uitstapje richting de americanamuziek.

Het is jammer dat deze band maar één album heeft mogen bestaan, maar ik er zeker van dat de diverse bandleden vast en zeker in andere (lokale) formaties zullen terugkeren. Vooralsnog zal dit album van Sea Bell nog vele malen in mijn cd-speler te vinden zijn. Ook dit album is te beluisteren en te bestellen via Bandcamp.


21 december 2011

Piñataland - Hymns for the Dreadful Night (2011)


Piñataland is geen alledaagse band. Zo hebben ze de vreemde gewoonte om obscure historische gebeurtenissen in hun teksten te verweven. Ook qua instrumentatie zijn de composities opvallend. De muziek verschuift van rock naar klezmer, van folk naar blues en van pop naar celtic, en dat soms meerdere malen binnen hetzelfde nummer. Bij tijd en wijle heeft de band veel weg van The Great Lakes Myth Society van de broers Monger, die ook een allegaar aan stijlen en instrumenten gebruiken in hun muziek.

De band is het geesteskind van songwriters Doug Stone en David Wechsler uit respectievelijk Brooklyn en Chicago. Op dit album wordt het tweetal bijgestaan door een keur aan gastmuzikanten. Zangeres Robin Aigner, drummer Bill Gerstel, violiste Deni Bonet, pedal steelspeler Gerald Menke en multi-instrumentalist en producer Ross Bonadonna. Dit geheel zorgt voor een bijna orkestrale muziekbelevenis. Tubaspelers Dave Hofstra en Dan Nosheny zorgen nog voor extra ondersteuning bij de Laurie Anderson-cover “Hiawatha”.

Zoals eerder genoemd staan de teksten van Stone en Wechsler vol met historische verwijzingen. Het album opent met een ouverture, het titelnummer “The Dreadful Night”. Een ode aan het pre-elektrische tijdperk toen mensen nog echt bang waren voor het donker. De muziek komt daarna direct tot een apotheose bij “Island of Godless Men”. Hier wordt het verhaal verteld van Jasper Danckarts, een Zeeuwse kuiper, die 1679 en 1680 samen met zijn vriend Pieter Sluiter een reis ondernam naar Amerika om daar de kolonie der Labadisten te stichten. Eenmaal in Brooklyn aangekomen schreef hij in zijn reisverslag over de goddeloosheid van de rokende en drinkende populatie aldaar. Verderop in het album komen nog veel meer historische figuren voorbij. Waaronder de Amerikaanse filosoof Thomas Paine (“An American Man”), de Amerikaanse koopman Silas Deane (“The Death of Silas Deane”) en de Franse filosofe Simone Weil (“Hungry Angel”). Het album eindigt met “Border Guard” waarin fraai verwoord wordt dat het onmogelijk is om je voorbereiden op de nieuwe dag en “Cemetery Mink” (letterlijk begraafplaatsnerts) met gesproken intro van jazzcriticus Stanley Crouch.

Dit album is een muzikale soms bombastische, soms verfijnde mix tussen The Decemberists, The Pogues en Gogol Bordello dat word bijeengehouden door een divers palet van historische gebeurtenissen. Direct bij de eerste luisterbeurt heeft het mijn aandacht weten te trekken en bij elke nieuwe luisterbeurt hoor ik weer nieuwe en verfrissende melodieën. Absoluut een band om in de gaten te houden.

Het album is te beluisteren en te bestellen via Bandcamp.


20 december 2011

Pharis and Jason Romero - A Passing Glimpse (2011)


Less is more lijkt het credo van Pharis en Jason Romero. Met zeer minimale middelen weten ze een krachtig muzikaal geheel neer te zetten. Een geheel van zowel eigen werk als authentieke covers zoals bijvoorbeeld “Hillbilly Blues” van Uncle Dave Macon en “Engine 143” van The Carter Family. Daarnaast is er plaats voor bekende en minder bekende traditionals. Dit album ademt de Appalachen, maar is opgenomen aan de westkust van de Verenigde Staten in Portland, Oregon door een duo dat tegenwoordig verblijft in blokhut in de bossen van Horsefly, British Columbia. Hun dagelijkse leven bestaat uit het vervaardigen van banjo’s en het spelen van old timey en countrymuziek. Daarnaast verzorgen ze ook nog (muzikale) workshops.

“A Passing Glimpse” is het eerste album dat Pharis en Jason als duo hebben uitgebracht. Beiden zijn echter al een geruimere tijd actief in de country- en folkmuziek. Zo trad Pharis al op zeer jonge leeftijd op met haar ouders en jongere zus als the Patenaude Family band. Haar jongere broer zou zich op een later tijdstip ook nog bij de band voegen. Tijdens haar studie biologie volgde ze ook enkele lessen tekstschrijven die een welkome afwisseling vormde van haar dagelijkse studentenleven. Voor deze lessen bezocht ze een bluegrass kamp in British Columbia. Hier ontstond haar liefde voor de authentieke country- en folkmuziek. Jason daarentegen luisterde voornamelijk naar Led Zeppelin en Cream tijdens zijn studiejaren. Nadat hij een Ierse band met banjo op de radio hoorde spelen, was hij direct verkocht. Hij nam lessen en begon zich meer en meer te interesseren in het instrument. Inmiddels is hij een volleerd instrumentenbouwer en levert hij banjo’s aan onder andere Ricky Skaggs en Dirk Powell.

De vergelijking met Gillian Welch en David Rawlings is snel gemaakt en ten dele ook terecht. De zoetgevooisde stem van Pharis laat de nummers op dit album enigszins vrolijk klinken, maar de teksten zijn voor het merendeel even depressief en neerslachtig als op “The Harrow & The Harvest” van Welch en Rawlings. Pharis en Jason Romero weten op perfecte wijze de luisteraars langs deze veelal melancholische songs te leiden. Dit is pure muziek gemaakt door muzikanten met ware liefde voor traditie en hun instrumenten.

Het album is te beluisteren via Bandcamp en te bestellen via CDBaby.


23 november 2011

Johnny Horton - The Spectacular Johnny Horton (1960)


Het is september 1972. De in Hamburg wonende Engelsman Les Humphries scoort een grote Europese hit met “Mexico”. De melodie van dit nummer heeft hij echter geleend van de countrysong “The Battle of New Orleans”, waarvan de tekst in 1936 is geschreven door een leraar uit Arkansas. Hij gebruikte het wijsje om zijn geschiedenislessen mee op te fleuren. Twee decennia later brengt de eveneens uit Arkansas afkomstige Jimmy Driftwood zijn debuutalbum “Newly Discovered Early American Folk Songs” uit. Daarop staat ook de eerst uitgebrachte versie van “The Battle of New Orleans”. Het nummer bevat echter te veel scheldwoorden als “hell” en “damn” om op de Amerikaanse radio gedraaid te worden. Driftwood werd daarom gevraagd om een kortere, gecensureerde versie te schrijven voor een live radio optreden. Rockabilly zanger Johnny Horton hoorde dit nummer op de radio en vroeg Driftwood of hij zijn eigen versie van het nummer mocht opnemen. Dit betekende het hoogtepunt van Horton’s korte doch imposante carrière.

“The Battle of New Orleans” was de tweede single van Horton’s debuutalbum “The Spectacular Johnny Horton”. Eerder bereikte “When It’s Springtime in Alaska (It’s Forty Below)” al de eerste plaats in de Amerikaanse countryhitlijst. Hiervoor bracht hij al enkele jaren singles uit waarvan enkele hoge posities behaalden in dezelfde hitlijst. Zoals onder andere Bill Haley is Johnny Horton een honky tonk/rockabilly zanger die zich toelegde op hetgeen wat destijds rock ’n roll zou worden. Een goed voorbeeld daarvan is het zelfgeschreven “The First Train Headin’ South”, een voortdenderende honky tonksong en “The Golden Rocket” een cover van Hank Snow. Daarnaast bevat het album ook een aantal mierzoete lovesongs. Zo doen “Whispering Pines” en “All For the Love of a Girl” het glazuur van je tanden springen. Deze bijna kneuterigheid heeft voor mij ook wel zijn charme. Zeker wanneer je deze nummers in het juiste tijdsbeeld plaatst.

De geremasterde cd-uitgave van dit album bevat drie bonustracks waaronder een opmerkelijk versie van “The Battle of New Orleans”, speciaal uitgebracht voor de Engelse markt. In deze versie zijn het de rebellen die vluchten voor de Britse troepen in plaats van vice versa!


12 november 2011

Dave Keener - The Easy Way (2011)


Kent u Dave Keener? Niet? Tot vorige week had ik ook nog nooit van de beste man gehoord. Totdat ik een aantal dagen geleden geheel onverwachts zijn debuutalbum in mijn brievenbus vond. Verwonderd door deze vorm van zelfpromotie besloot ik het album direct aan een luisterbeurt te onderwerpen. En ik moet zeggen dat dit vervroegde sinterklaascadeautje mij goed is bevallen.

Naast het album is mijnheer Keener ook zo vriendelijk geweest om een uitgeprinte biografie/press release toe te voegen. Hierin is te lezen dat hij al jaren actief is in de muziekindustrie. Eind jaren ’90 werkte hij samen met zijn broer Tom als Them Keener Boys. Specialisten in de humoristische anti-folk muziek. Op “The Easy Way” heeft Dave zijn grenzen verlegd. Hij klinkt nu als een volwassen muzikant. Albumopener “Walkin’ Around” zou zomaar een nummer van Elvis Costello kunnen zijn en ook de rustigere folky nummers zoals “Ask” en “Feels Like” liggen goed in het gehoor. Daar ligt ook enigszins het manco van dit album. Het album mist een bite, een scherp randje, maar ik wil een gegeven paard niet al te veel in de bek kijken. Al met al een degelijk debuutalbum met genoeg potentieel voor een veelbelovend vervolg.


03 juni 2011

Paul Robeson - Songs of Free Men (1943)


Het levensverhaal van Paul Robeson kent talrijke hoogtepunten maar ook diepe dalen. In zijn jonge jaren was hij een begenadigd sportman en in het bezit van maar liefst 15 varsity letters in niet één maar vier verschillende sporten (football, honkbal, atletiek). Daarnaast studeerde hij rechten aan de universiteit van Columbia. Na zijn afstuderen in 1923 was hij de eerste zwarte Amerikaan die bij een van de meest vooraanstaande New Yorkse advocatenkantoren, Stotesbury and Miner, ging werken. Daar ging hij echter weer snel weg nadat een blanke secretaresse weigerde door hem gedicteerde brieven te typen vanwege zijn huidskleur ("I never take dictation from a nigger"). Tevens sprak hij minimaal 10 talen en heeft hij in meer dan 25 verschillende talen nummers opgenomen.

Het was juist ten tijde van dit album dat zijn roem en status langzamerhand begonnen af te nemen. Robeson uitte openlijk kritiek tegen de leefomstandigheden van de zwarte Amerikanen in de zuidelijke staten was eveneens actief in de bestrijding van het lynchen. Ook weigerde hij een niet-communist verklaring te tekenen. Robeson was dan ook een van de weinige Amerikanen die zich niet openlijk keerde tegen het communisme. Sterker nog, een aantal nummers op dit album komen van de hand van de Russische componisten Ivan Dzerzhinsky en Isaac Donayevsky. Maar Robeson beperkte zich niet tot enkel klassieke werken. Met zijn diepe zangstem zong hij ook veelvuldig spirituals en folksongs als "Joe Hill" en "The Peat-Bog Soldiers" ("Die Moorsoldaten"). Door zijn imposante en krachtige stem was veel instrumentatie dan ook overbodig. Zodoende werkte Robeson voor dit album ook enkel samen met zijn vaste metgezel Lawrence Brown die zorgt voor de pianobegeleiding.

Ruim tien jaar geleden, een kleine honderd jaar na Robeson's geboorte in 1898, is dit album heruitgebracht met de toevoeging van veel zijn overige werk uit de jaren '40. Op deze heruitgave is de diversiteit van zijn composities nog beter hoorbaar. Een van de toegevoegde nummers is zijn meest bekende nummer "Ol' Man River" uit de musical "Showboat". Al met al is dit een voortreffelijk album van niet enkel een groot zanger, maar vooral een groot mens.


04 mei 2011

Sammy Walker - Song for Patty (1975)


Een jonge vrouw met een machinegeweer siert de hoes van Sammy Walker's "Song for Patty". Op de achtergrond wordt ze omringd door een enorme vuurzee. Een hoes die zodoende veel vragen oproept. Wie is deze vrouw en waarom staat zij bewapend voor een grote brandhaard? De vrouw op de hoes is, zoals de titel van het album al doet vermoeden, Patty. Patricia Campbell (Patty) Hearst is de kleindochter van miljonair William Randolph Hearst. Op 4 februari 1974 werd zij door een kleine linkse groep, die zichzelf de Symbionese Liberation Army (SLA) noemde, uit haar appartement ontvoerd.Twee maanden later, op 15 april 1974, werd ze gefotografeerd terwijl ze samen met vier leden van de SLA de Hibernia bank op Sunset Avenue beroofde. Ze liet weten dat ze haar naam had veranderd in "Tania" (naar een medestrijdster van Che Guevara) en dat ze zich had aangesloten bij de SLA. Nadat er een arrestatiebevel tegen haar werd uitgevaardigd, werd ze samen met twee leden van de SLA in september 1975 gearresteerd. Zes andere oorspronkelijke SLA-leden werden gedood tijdens een belegering door een groep van 500 politieagenten. De politiemacht had het huis waarin de SLA-leden verschanst zaten in brand gezet in de hoop dat ze het zouden verlaten. Deze hele operatie werd rechtstreeks uitgezonden op de televisie. Hearst verklaarde later dat ze leed aan zware vorm van het Stockholmsyndroom.

In het 6 minuten durende titelnummer wordt het leven Patty Hearst van voor en tijdens haar SLA-tijd bezongen door de 22-jarige singer/songwriter Sammy Walker uit Norcross, Georgia. Walker's herkenbare stemgeluid zal een ieder doen denken aan de tien jaar oudere Bob Dylan. Zijn nasale zangstem en bijbehorende akoestisch gitaar lijken bijna een identieke kopie van Dylan. Ook qua songwriting liggen ze in elkaars verlengde. Walker heeft eveneens een voorkeur voor maatschappijkritische en politiek-sociale teksten. Zelfs qua uiterlijk vertonen de twee singer/songwriters overeenkomsten. Van de 12 songs op dit album komen er 10 van de hand van Walker. Daarnaast is er plaats voor twee covers "I Ain't Got No Home" (Woody Guthrie) en "Bound for Glory" (Phil Ochs). De maatschappijkritische teksten zijn naast het titelnummer duidelijk te horen op "The Ballad of Johnny Strozier". Strozier was een zwarte man die een 40 (!) jarige gevangenisstraf kreeg opgelegd naar aanleiding van een ongewapende overval op een winkel in Georgia. Maar Walker heeft ook zijn luchtige en komische kanten zoals te horen is in het nummer "Funny Farm Blues" waar hij weer klinkt als een andere groot singer/songwriter, John Prine. Walker is zeker geen productieve muzikant. Na 4 albums in de jaren '70 volgde enkel nog "Old Time Southern Dream" (1994) en "Misfit Scarecrow" (2008). Desondanks klinkt zijn latere werk nog even fris en bevlogen als zijn eerste composities uit de jaren '70.


25 april 2011

Violeta Parra - Las Últimas Composiciones de Violeta Parra (1966)


Samen met Víctor Jara was Violeta Parra dé exponent van de Chileense (folk)muziek van de jaren '60. Het was ook Parra die mede aan de basis stond van "La Nueva Canción Chilena" ("Het Nieuwe Chileense Lied"), een linkse, ideologische stroming in de Latijns-Amerikaanse muziek. Maar waar Jara in 1966 zijn naamloze debuutalbum uitbracht, was "Las Últimas Composiciones de Violeta Parra" reeds Parra's laatste plaatopname.

Violeta del Carmen Parra Sandoval werd op 4 oktober 1917 geboren in San Carlos een kleine stad in het zuiden van Chili. Reeds op negenjarige leeftijd verliet ze de schoolbanken en leerde ze zichzelf gitaar leren spelen. Slechts drie jaar later schreef ze al haar eeste nummers. Enkele jaren daarna vertrok ze, op uitnodiging van haar broer, naar Santiago om daar te studeren. Maar ook daar voelde ze zich niet op haar plaats. Ze zwierf met haar gitaar langs de bars en peñas (clubs) van Santiago waar ze voornamelijk traditionele muziek ten gehore bracht. In 1937 trouwde ze met Luis Cereceda, een spoorwegarbeider. In 1948 scheidde het stel waarna Parra het opvolgende jaar opnieuw in het huwelijk trad. Uit dit huwelijk werden twee dochters geboren die beide op vroege leeftijd overleden.

Naar aanleiding van een langdurige ziekte was Parra in 1960 geruime tijd aan bed gekluisterd. Rusteloos als ze was begon ze te werken als arpillerista (het ververvaardigen van Chileense tapijten). In datzelfde jaar kwam ze in contact met Gilbert Favre, een Zwitserse muzikant die de folklore van Chili bestudeerde. Al snel mondde deze vriendschappelijke relatie uit in een turbulente liefdesverhouding. Ook rond die tijd werd de muziek van Parra meer diepgaand, zowel politiek als filosofisch. Na een hevige relatie met veel hoogte- maar ook veel dieptepunten besloot Favre om in 1966 de relatie te beëindigen. Parra schreef het ontroerende "Run Run Se Fue P'al Norte" naar aanleiding van deze droevige gebeurtenis. Veel van de nummers op dit album refereren - in soms prachtige beeldspraak - aan het verlies van een geliefde. Zelfs de schijnbaar opgewekte albumopener "Gracias a la Vida" ("Met Dank aan het Leven") heeft een melancholieke en bitterzoete ondertoon. Het nummer heeft overigens later een bredere bekendheid heeft gekregen door covers van Mercedes Sosa en nog later Joan Baez.

Na de breuk met Favre raakte Parra in een diepe depressie. In een poging van haar vrienden en familie om haar uit deze depressie te halen werd er een nationale tour onder de naam "Chile Sings and Laughs" georganiseerd. Door het warme ontvangst van het publiek bloeide Parra zienderogen op. Deze opleving was echter van korte duur. Op 5 februari 1967 beroofde ze zich door pistoolschot van het leven.


27 februari 2011

Dock Boggs - His Folkways Years 1963-1968 (1998)


Halverwege de jaren '20 van de vorige eeuw stuurde veel platenmaatschappijen vertegenwoordigers naar de Appalachen om daar op zoek te gaan naar nieuw talent. In 1927 werd er een auditie gehouden in het Norton Hotel in Norton, Virginia door Brunswick Records. Spelend om een geleende banjo en zichzelf kalmerend met whiskey was het de jonge Dock Boggs die aldaar een contract in de wacht sleepte. Tijdens deze auditie troefde hij niemand minder dan A.P. Carter af. Later datzelfde jaar kreeg Boggs al de mogelijkheid om in New York een aantal nummers op te nemen.

Boggs was de jongste van tien kinderen en al vanaf zijn twaalfde jaar werkzaam in de mijnbouw. In zijn schaarse vrije tijd bespeelde hij de banjo. Niet in de destijds gangbare clawhammer stijl, maar meer als een bluesgitaar. Boggs' muzikale carrière verliep dermate voorspoedig dat hij zich in 1928 een fulltime muzikant kon noemen en dat hij zodoende niet meer in het mijnwezen hoefde te werken. Op een gegeven moment verdiende hij wel 300 à 400 dollar per week. Maar de depressie van de jaren '30 maakt aan dat alles een eind. Boggs zei zijn muzikale avontuur - onder dwang van zijn vrouw - vaarwel en ging weer aan het werk in de mijnbouw.

Jaren later, in 1963, trok folkorist Mike Seeger naar Norton om Boggs te overreden om zijn muzikale carrière voort te zetten. Blijkbaar was Seeger een goede prater want enkele weken later stond Boggs alweer op het podium tijdens het American Folk Festival in Asheville, New York. Ook dook hij de studio in om voor het fameuze Smithsonian Folkways Recordings label een aantal albums op te nemen. In de volgende jaren verschenen "Legendary Singer & Banjo Player" (1963), "Vol. 2" (1965) en "Vol. 3" (1970). Deze drie albums zijn gebundeld op dit verzamelalbum. In het bijgevoegde boekwerk is tevens van elk nummer beschreven waar en van wie Boggs het geleerd heeft.

De stem en het banjospel van Dock Boggs zal niet voor iedereen zijn weggelegd, maar zijn muziek geeft wel een mooi tijdsbeeld van de Appalachen aan het begin van de vorige eeuw.

07 oktober 2010

Barbecue Bob - The Essential Barbecue Bob (2001)


In het begin van de vorige eeuw werden zwarte muzikante dikwijls vernoemd naar hun uiterlijke kenmerken; Blind Willie McTell, Peg Leg Sam of Barbecue Bob. Bob's werkelijke naam was Robert Hicks, een blueszanger uit Georgia. Hicks werkte als kok in Tidwell's Barbecue Place, een restaurant in het noorden van Atlanta toen hij ontdekt werd door Dan Hornsby, een talentscout van Columbia Records. De maatschappij besloot Hicks' baan te gebruiken als gimmick en gaf hem zodoende de naam Barbecue Bob. Ook op publiciteitsfoto's was hij in kokskleding te zien zoals te zien is op een van de twee nog overgebleven foto's.

Hicks werd geboren op 11 september 1902 in Walnut Grove. Samen met zijn ouders en broer, Charley "Lincoln" Hicks, verhuisde hij op jonge leeftijd naar Newton County. Daar kwam hij in contact met Savannah "Dip" Weaver aan haar zoon Curley. Tezamen met de Weavers leerde de gebroeders Hicks gitaar spelen en vormde ze hun eigen muziekgroep. In 1922 voegde country blues harmonicaspeler Eddie Mapp zich ook bij de groep. Gedurende een aantal jaren in de vroege tot midden-jaren '20 speelde deze groep op feesten en dancings in en rondom Atlanta. Robert Hicks was het eerste lid van de groep die commercieel succes genoot nadat hij onder contract kwam te staan van Columbia Records. Tussen 1927 en 1930 nam hij in totaal 65 nummers op waarvan het merendeel op dit verzamelalbum te horen is. Praktisch alle nummers zijn opgenomen in Atlanta, met uitzondering van een korte opnamesessie (15 en 16 juni 1927) in New York. In december 1930 nam hij als lid van the Georgia Cotton Pickers (met onder meer Curley Weaver) verschillende nummers op. Het zouden zijn laatste opnames zijn. Hij stierf in 1931 op 29-jarige leeftijd aan de gevolgen van een combinatie van tuberculose en longontsteking, veroorzaakt door influenza. Eerder dat jaar was ook zijn vrouw aan een longontsteking bezweken.

Barbecue Bob is van grote invloed geweest op de latere Atlanta-bluesmuzikanten als Blind Willie McTell, Buddy Moss en Curley Weaver. Hij speelde op zijn opnames een 12-snarige Stella gitaar, maar hij kon evengoed overweg met een zes-snarige gitaar. Ook maakte hij al gebruik van een aantal bottleneck slide technieken. Een song van Hicks, "Motherless Child Blues", verscheen in 1974 op het album "461 Ocean Boulevard" van Eric Clapton.

31 augustus 2010

Frank Hutchison - Complete Recorded Works Volume 1 (1997)


Elvis Presley wordt meestal gezien als de eerste blanke artiest die het aandurfde om elementen uit de zwarte muziek in zijn composities te gebruiken. Maar niets is minder waar. Halverwege de jaren '20 was het de uit West Virginia afkomtige mijnwerker Frank Hutchison die als eerste blanke bluesartiest zijn "zwarte" muziek opnam. Tussen 1926 en 1929 nam hij in totaal 44 nummer op voor Okeh Records waarvan er een negental niet zijn uitgebracht. Hutchison maakte in die jaren al gebruik van slidetechnieken. Een manier van gitaarspelen die hij omstreeks 1905 had geleerd van de zwarte gitarist Henry Vaughn. Deze techniek, die pas in 1923 voor de eerste maal (op plaat) werd gebruikt, begon in de late jaren '20 en begin jaren '30 aan populariteit te winnen. Vooral onder zwarte gospel/blues zangers als Blind Willie McTell, Mississippi Fred McDowell, Son House en Robert Johnson. Bij gebrek aan andere hulpmiddelen gebruikte Hutchison bij zijn eerste opnames een zakmes als slide.

De nummers op dit album zijn - zoals veel voorkomend bij Document Records - geplaatst in chonologische volgorde. De opnames zijn in 4 sessies opgenomen, éénmaal in 1926, tweemaal in 1927 en éénmaal in 1928. De geluidskwaliteit van de opnames is verbluffend helder. Enkel bij de eerst takes van "Worried Blues" en "The Train That Carried the Girl From Town" is duidelijk te horen dat dit opnames van ruim 80 (!) jaar oud zijn. Hutchison nam - zoals A.P. Cater dat ook deed - veel nummers op die hij had overgenomen van zwarte artiesten. Zo leerde hij onder andere "Worried Blues" van de zwarte steelgitarist, Bill Hunt, die zelf geen opnamen naliet.

Enkele jaren na zijn laatste opnamen in 1929 verliet Hutchison de kolenmijnen van Logan County. Samen met zijn vrouw exploiteerde hij daarna een supermarkt en postkantoor in Lake, West Virginia. Maar hij verloor alles, inclusief zijn wonig boven de winkel, toen het complete pand in april 1942 afbrandde. Na verluid was hij zo ontdaan door deze gebeurtenis dat dit resulteerde in een alcoholverslaving. Korte tijd later keerde hij weer terug naar Ohio en werkte daar als entertainer op een rivierboot op de Ohio-rivier. Hij stierf in 1945 in Dayton aan de gevolgen van leverkanker.

28 juli 2010

Barbara Dane - Barbara Dane and the Chambers Brothers (1966)


Aan de vooravond van de Great Depression en in de nasleep van de ergste rassenrellen uit de Amerikaanse geschiedenis trokken de ouders van Barbara Dane in de jaren '20 van Arkansas naar Detroit, Michigan. Op 12 mei 1927 werd Barbara Dane daar geboren als Barbara Jean Spillman. Als kind zong en speelde ze piano op zondagsschool. Medio jaren '40 begon ze zich te interesseren voor burgerrechten en de feministische beweging. In 1949 verhuisde ze naar San Francisco alwaar ze begon op te treden met folk- en jazzsongs. Ze werkte samen met onder andere Pete Seeger, Kid Ory, George Lewis en Turk Murphy, trad op op diverse festivals en had zelfs een eigen tv-programma.

In 1966 ondernam Dane een opmerkelijke stap door een album op te nemen met de soulgroep The Chamber Brothers, die 3 jaar later nog een bescheiden hit scoorden met "Time Has Come Today". Het resultaat is een wonderlijke samensmelting van de folk-blues van Dane en de bluesy soul van The Chamber Brothers. Het album trapt af met "It Isn't Nice" en "You've Got to Reap What You Sow". Beide nummers zijn diep geworteld in de burgerrechtenbeweging en zijn tekstueel nog even sterk als 45 jaar geleden. Daarna volgt een cover van de in 1966 overleden singer/songwriter Richard Fariña; "Pack Up Your Sorrows". Het tweede deel van het album bevat bevat vooral negro spirituals waarop de samenzang van The Chamber Brothers geheel tot zijn recht komt met nummers als "Come By Here" ("Kumbaya"), "Freedom is a Constant Sorrow" en "Go Tell It on the Mountain".

30 juni 2010

Lonnie Donegan - Showcase (1956)


Het was niet de heupwiegende tieneridool Elvis Presley die halverwege de jaren '50 als eerste de Engelse muziekindustrie wakker schudde, maar een Schotse jazzinstrumentalist die al zeer snel bekend zou worden als de King of Skiffle. Deze Lonnie Donegan was al vanaf de vroegere jaren '50 actief in diverse jazzbands waarvan de Chris Barber's Jazz Band de meeste bekende was. Ten tijde van zijn lidmaatschap van de Ken Colyer's Jazzmen speelde Donegan samen met bandleden Ken Colyer en Chris Barber tijdens optredens "skiffle-breaks". Deze skiffle-breaks waren een idee van Ken Colyer's broer Bill en sloegen direct aan bij het publiek. Het duurde dan ook niet lang voordat Donegan zich compleet toelegde op het skiffle-werk en in 1955 een enorme hit scoorde met "Rock Island Line".

"Showcase" is het debuutalbum van Donegan als solo-artiest. Het album bevat covers van onder andere bluesgrootheden als Leadbelly ("I'm Alabammy Bound") en Leroy Carr ("How Long, How Long Blues") en countrylegende A.P. Carter ("Wabash Cannonball"). Donegan's karakteristieke folkblues stem doet bij tijd en wijle een zwarte blues shouter vermoeden en niet een blanke skiffle-speler uit Glasgow. In "Alabammy Bound" en de traditional "I Shall Not Be Moved" wordt zijn tenorstem perfect aangevuld door de basstem van gitarist Denny Wright. Tot 1962 was Donegan immens populair in het Verenigd Koninkrijk, maar door de opkomst van The Beatles en andere beatgroepen raakte hij al snel op de achtergrond.

10 juni 2010

Memphis Minnie - The Best of Memphis Minnie (2008)


Gitaarspelende blueszangeressen zijn zeer spaarzaam. Maar dit selecte groepje is wel van een zeer hoogstaand niveau. Wat te denken van Sister Rosetta Tharpe, Elizabeth Cotten of Memphis Minnie. De laatste naam zal de meesten het minst bekend in de oren klinken. En dit terwijl Minnie oftewel Lizzie Douglas een van de meest invloedrijke figuren was in de vooroorlogse blues.

In 1929 trouwde ze met gitarist Joe McCoy met wie ze een muzikaal duo vormde. Tijdens de jaren '30 trok ze naar Chicago alwaar zij een van de grondleggers was van de Chicago Blues. Na slechts vier jaar strandde haar huwelijk met McCoy waarna ze in 1939 hertrouwde met Ernest "Little Son Joe" Lawlars. Tot op 61-jarige leeftijd bleef Minnie actief in de Chicago bluesscene en vervolgens keerde ze in 1958 samen met Little Son Joe weer terug naar Memphis.

Dit album - met de subtitel "1933-1937" - bevat opnames van Minnie tijdens haar hoogtijdagen eind jaren '30. Van de klassieke blues songs als "I'm Bad Luck Woman" en "Caught Me Wrong Again", opgenomen tijdens de fameuze mei 1936 sessie, tot de meer georchestreerde country blues opgenomen in 1937. Anders dan de subtitel doet vermoeden staan op deze cd ook nummers die opgenomen zijn in juni 1938, haar laatste sessie voordat zij in contact kwam met Little Son Joe een jaar later.

24 mei 2010

Hank Snow - The Southern Cannonball (1961)


Zoals vele succesvolle artiesten had ook Hank Snow een belabberde jeugd. Toen hij 8 jaar was scheidde zijn ouders en kwam hij bij zijn grootmoeder te wonen. Vier jaar later hertrouwde zijn moeder en verhuisde kleine Hank weer terug naar zijn moeder. Zijn stiefvader was echter een gewelddadig man en sloeg Hank herhaaldelijk. Moe van het misbruik liep hij op zijn twaalfde weg van huis waarna hij aan het werk ging op een vissersboot.

Ten tijde van "The Southern Cannonball" was Snow al over zijn commerciële hoogtepunt heen. Vooral in de vroege jaren '50 scoorde hij de ene hit naar de andere. Dat wil echter niet zeggen dat dit een minder album is. Integendeel, dit album bevat een aantal van zijn beste songs. Naast twee Jimmie Rodgers klassiekers ("My Blue Eyed Jane" en "The Southern Cannonball") bevat dit album ook een vervolg op zijn hit "I'm Movin' On"; "I'm Movin' In". Snow's voorliefde voor Spaanse ritmes en melodieën is ook op dit album duidelijk aanwezig in "Panamama" en "When Mexican Joe Met Jole Blon". Al met al een zeer sterk album van een van de laatste honky tonk countrysterren.

11 mei 2010

Burl Ives - Favorites for Children (1974)


De naam Burl Ives zal voor altijd verbonden zijn met Rudolph the Red-Nosed Reindeer, de NBC/CBS kerstmis special. Hij is namelijk de stem van Sam The Snowman, de verteller van het verhaal. Een rol die perfect bij zijn "vriendelijke grootvader" imago paste. Zijn overige werk is grotendeels onbekend bij het grote publiek. Zo ook zijn LP "Favorites for Children", een album voor de allerkleinsten. Het album bestaat uit vier verhaaltjes en vier bijbehorende liedjes. Ives' diepe, warme stem past perfect bij de door Barbara Hazen geschreven vertellingen en dat maakt het album een aangename luisterervaring voor zowel ouder als kind.